Klikzink

Zinklook op het dak: hoe banen en helling het beeld maken

Een dak wordt anders bekeken dan een gevel, en dat zit niet in het materiaal maar in de hoek waaronder u het ziet. Zinklook op het dak ligt meestal grotendeels buiten uw eigen gezichtsveld: u kijkt ertegenaan vanaf de straat, vanaf een hoger gebouw, of helemaal niet, omdat u er zelf onder woont. Dat verandert wat er van het beeld nog overblijft, en dus ook waar u bij de keuze op moet letten.

De banen op een dak lopen van nok naar goot. Dat is de kortste weg voor het water en het is ook de richting die het felswerk logisch aanhoudt: de fels staat haaks op de golf van het water naar beneden, niet erin. Voor het beeld betekent dit dat de baanrichting op een dak vaak samenvalt met de looprichting van het oog vanaf de straat naar boven, of net niet, afhankelijk van de plek waar u staat. Op een schuin dak dat u van opzij ziet, tekenen de banen zich af als een serie verticale lijnen die van de daklijn naar de nok toe lopen en daar samenkomen, of juist doorlopen tot aan een andere kant van het dak. Hoe lager de kijkhoek, hoe meer die lijnen zich voor het oog optellen tot textuur in plaats van tot afzonderlijke stroken.

De hellingshoek bepaalt vervolgens hoeveel van het vlak zelf u ziet, en onder welk licht. Bij een flauwe helling, net boven de zes graden waarbij deze bekleding nog toegepast kan worden, ligt het vlak bijna horizontaal in uw blikveld: u ziet het dak eerder als een grijze of zwarte deken dan als een reeks banen, en de schaduwlijnen tussen de banen vallen bijna plat, dus nauwelijks op. Bij een steil dak, dichter bij verticaal dan bij horizontaal, kijkt u het vlak bijna recht aan, zoals bij een gevel, en dan tellen de baanbreedte en de schaduwlijn net zo zwaar mee als op een verticaal vlak. Daartussenin, bij de gebruikelijke hellingen, verandert het beeld met de positie van de zon: 's ochtends vroeg of laat op de dag, als het licht laag over het dak scheert, worden de schaduwlijnen tussen de banen dieper en zichtbaarder dan op het middaguur, wanneer het licht van boven komt en het vlak vlakker oogt.

Dit is meteen de reden waarom een dof, niet-spiegelend oppervlak op een dak net zo belangrijk is als op een gevel, misschien nog wel belangrijker. Een dak vangt de hemel: bij een glanzend materiaal zou het licht van een bewolkte lucht of een felle zon rechtstreeks worden teruggekaatst naar wie er beneden of ertegenover staat, en dat verandert per moment van de dag. Een mat oppervlak met een glansgraad onder de vijf houdt dat licht juist vast in het materiaal zelf, zodat het dak op een grijze dag grijs blijft en op een heldere dag hooguit iets lichter oogt, zonder felle glinsteringen. Op een dak, waar de lichtinval nu eenmaal groter is dan op een verticale gevel, is dat verschil sterker te merken dan beneden.

Waar de banen samenkomen, bij een nok, een hoek of een dakraam, ontstaat een tweede laag detail die op een dak meer opvalt dan op een gevel. Bij de nok lopen de banen van twee dakvlakken op elkaar aan, en de manier waarop dat is opgelost, of de fels daar recht doorloopt of wordt onderbroken door een nokafwerking, is op een dak met een normale helling goed te zien vanaf de grond. Bij een plat of vrijwel plat dak, waar u als voorbijganger nauwelijks meekijkt, is dat detail vooral van belang voor wie er wél overheen kijkt: een naastgelegen gebouw, een balkon, of gewoon de eigenaar zelf als hij op het dak staat.

Wat dit voor een gebouw in de praktijk betekent, verschilt sterk per type dak en per gebouw. Een steil kapdak op een woonhuis wordt van de straat gezien onder een andere hoek dan een flauw hellend dak op een bedrijfsloods dat vooral vanaf een hoger punt in de omgeving zichtbaar is, of een dakkapel die alleen van dichtbij wordt bekeken. Die verschillen werken we hier niet uit; ze bepalen wel of de aandacht vooral naar de baanrichting moet gaan, naar de schaduwlijn, of naar het vlak als geheel, en dat is precies waarom we dat per gebouwtype apart behandelen.

Wat wij op basis van een tekening wel alvast kunnen aangeven, is hoe de banen op uw dakvlakken gaan lopen en waar de felsen samenkomen, zodat u vooraf een beeld heeft van de looprichting en niet achteraf voor een verrassing komt te staan. Dat meedenken op tekening kost niets, en de platen worden vervolgens op de millimeter afgekort, van 450 tot 8000 millimeter, zodat een dakvlak zonder onnodige onderbrekingen in banen kan worden verdeeld. Voor wie wil zien hoe het oppervlak zich in de hand voelt en hoe het licht opvangt, liggen er monsters van alle drie de kleuren.

KKlikzink
Pagina'sHomeSpecificatiesKleur / CoatingProjectenDetailsTechnisch adviesBlogContact
Contact
Adres
© Klikzink