Klikzink

Zinklook dakkapel: dak en gevel in één beeld

Een dakkapel heeft twee vlakken die de meeste mensen als één ding zien: het schuine dakje erboven en de rechtopstaande gevel ervoor. Bouwkundig is dat een knik van negentig graden of iets minder. Visueel is het vaak gewoon één vorm, een blokje op het dak. Wat u met de bekleding doet, bepaalt of dat blokje ook als één vorm blijft ogen, of dat het uit elkaar valt in een dakje en een kastje.

De manier om dat voor elkaar te krijgen is even simpel als hij lastig te laten uitvoeren is: u trekt dezelfde banen door, van de nok van de dakkapel tot de onderkant van de gevel, zonder onderbreking op de knik. Geen aparte dakbedekking die stopt bij de daklijst, geen andere baanindeling op de gevel, geen zichtbare overgang waar het oog een reden krijgt om te knippen. De fels loopt door, de baan loopt door, de schaduwlijn loopt door. Het dak en de gevel worden daardoor optisch één vlak dat gewoon van richting verandert, in plaats van twee vlakken die aan elkaar zijn geplakt.

Waarom dit hier zwaarder telt dan bij een groot dak

Bij een grote loods of een lang zadeldak valt een overgang tussen twee materialen weg in de totale maat van het gebouw. Bij een dakkapel is er geen totale maat om in weg te vallen. Het is een klein volume, vaak niet meer dan een paar vierkante meter dak en een paar vierkante meter gevel, en het staat op een groot dakvlak waar het toch al opvalt omdat het er als enige uitsteekt. Elke naad, elke kleursprong en elke onderbreking in de belijning wordt op die schaal meteen zichtbaar. Er is simpelweg geen ruimte om iets te laten verdwijnen in de massa, want er is geen massa.

Dat is precies waarom de knik hier meer aandacht verdient dan bij bijna elk ander onderdeel van een gebouw. Op een groot dakvlak is de vraag hoe de banen ogen over vijftien meter. Bij een dakkapel is de vraag hoe drie of vier banen ogen over anderhalve meter, en of het dak en de gevel elkaar aanvullen of tegenspreken.

Wat vier banen doen met de rust van het beeld

Onze platen hebben een werkende breedte van 475 millimeter. Op een dakkapel van twee meter breed betekent dat ruwweg vier banen naast elkaar, misschien vier en een fractie, afhankelijk van de exacte maat. Dat is een overzichtelijk aantal, en juist omdat het er zo weinig zijn, telt elke baan zwaar in het totaalbeeld. Vier gelijke banen naast elkaar, in verhouding tot de breedte van het gevelvlak en de hoogte van het dakvlak, ogen als een rustige herhaling. Verspring de maat een klein beetje, laat de laatste baan smaller uitvallen om precies bij de dakrand te eindigen, en het beeld wordt onmiddellijk drukker: het oog ziet dat er iets niet klopt, ook zonder dat het kan zeggen wat.

Dit is een reden om de indeling van de banen vooraf op tekening te laten uitwerken in plaats van het aan de uitvoering op de bouwplaats over te laten. Bij een groot dakvlak kan een plaatverdeler nog wat schuiven zonder dat het opvalt. Bij vier banen op een dakkapel is er geen ruimte om te schuiven: de verdeling die op papier staat, is het beeld dat er straks jarenlang staat. Wij denken dat na op de tekening, zonder dat daar kosten aan hangen, precies omdat een fout hier niet later te herstellen is met een verfje of een lat erlangs.

De richting die het volume maakt of breekt

Op het dakvlak van de dakkapel lopen de banen doorgaans van de nok naar de daklijst, in de richting van het water. Op de gevel eronder kan diezelfde richting rechtdoor lopen, verticaal, of de banen kunnen daar horizontaal komen te liggen. Beide komen voor, en beide kunnen werken, maar ze doen iets anders met het volume.

Loopt de richting door van dak naar gevel, dan blijft de dakkapel ogen als één doorlopende vorm die van hellend naar staand overgaat, zoals een gevouwen stuk karton dat ook één stuk karton blijft na de vouw. Wisselt de richting op de knik, staand op het dak en liggend op de gevel bijvoorbeeld, dan krijgt de kijker het beeld van twee onderdelen die op elkaar zijn gezet: een dak, en daaronder een apart kastje. Dat kan een bewuste keuze zijn, bijvoorbeeld om de gevel juist breder te laten ogen dan hij is, maar het is een keuze die u vooraf moet willen maken en niet iets dat toevallig ontstaat omdat de aannemer op het dak nu eenmaal anders werkt dan op de gevel.

Wanneer dit beeld averechts werkt

Er zijn dakkapellen waarbij het doortrekken van de baan juist niet de goede keuze is. Bij een dakkapel met een fors ingesnoerde of afgeschuinde zijkant, waar het dakvlak in een scherpe hoek overgaat in een driehoekig stukje gevel, valt de baan soms lelijker uit dan een knip op de overgang zou doen: de fels komt dan op een vreemde plek terecht, of de laatste baan wordt zo smal dat hij als reepje oogt in plaats van als volwaardig vlak. Ook bij een heel brede dakkapel met een gevel die veel groter is dan het dakvlak erboven, kan het beter zijn de twee vlakken juist een ander baanritme te geven, zodat de gevel als zelfstandig element leesbaar blijft in plaats van te verdrinken in een doorlopend patroon dat voor het dakje is ontworpen. En bij een dakkapel die al smal is, kan een vierde baan van afwijkende breedte meer kwaad doen dan een knip in het materiaal ooit zou doen. In die gevallen is het geen kwestie van goed of fout materiaal, maar van een indeling die op deze ene maat gewoon niet wil kloppen, hoe u de banen ook legt.

Wat er in de praktijk aan vooraf gaat

Omdat wij op de millimeter afkorten en met eigen walsmachines werken, kan de baanindeling voor dak en gevel van een dakkapel als één geheel worden doorgerekend voordat er een plaat wordt gezet. Dat is precies het moment waarop de vraag uit dit stuk wordt beantwoord: hoeveel banen, hoe breed, welke richting, en loopt de fels door over de knik of niet. Wie twijfelt over hoe dat er in kleur en materiaal uitziet, kan een van de drie kleuren als monster bekijken; dat zegt meer over het uiteindelijke beeld dan een tekening alleen.

KKlikzink
Pagina'sHomeSpecificatiesKleur / CoatingProjectenDetailsTechnisch adviesBlogContact
Contact
Adres
© Klikzink