Klikzink

Zinklook en glans: waarom mat het verschil maakt

Iemand die langs een gevel loopt, kijkt niet bewust naar glansgraad. Toch is glans het eerste wat het oog registreert, ver voordat iemand nadenkt over kleur, baanbreedte of richting. Licht dat van een oppervlak terugkomt, doet dat op maar twee manieren: het spiegelt, of het verstrooit. Zink verstrooit. Een gepolijst of licht glanzend materiaal spiegelt, al is het maar een klein beetje. Dat verschil ziet iemand voordat hij het kan benoemen, en het is precies de reden dat een verkeerd gekozen glansgraad een gevel of dak verraadt nog voor er één andere vraag gesteld is.

De reden dat dit zo werkt, zit in wat licht doet op een oppervlak. Een glanzend vlak reflecteert licht in min of meer één richting, zoals een spiegel dat doet: je ziet een highlight die meebeweegt als je loopt of als de zon verschuift. Een mat vlak verstrooit licht in alle richtingen, en daardoor blijft de kleur overal ongeveer hetzelfde, van welke hoek je ook kijkt. Zink is van nature een mat, wat ruw oppervlak zonder spiegeling. Wie zinklook toepast, wil dat effect nabootsen, en dat kan alleen met een coating die net zo weinig teruggeeft. Bij onze coating ligt de glansgraad onder de vijf. Dat is geen marketinggetal maar de grens waaronder een oppervlak voor het blote oog dof blijft, ook in fel licht en ook onder een lage zon die alles genadeloos afspeurt op glimmers.

Het praktische probleem is dat glans zich niet gelijk verdeelt over een gevel. Een baan die plat in de schaduw ligt, verraadt zijn glansgraad niet; iedereen ziet dof materiaal, glanzend materiaal, het maakt in de schaduw weinig verschil. Zodra de zon er laag opstaat, of zodra iemand van opzij kijkt in plaats van recht ervoor, verandert dat compleet. Dan werkt elk klein beetje glans als een spiegel die precies op dat moment de zon of de lucht ernaast weerkaatst. Dat is het moment waarop een gebouw dat er de rest van de dag overtuigend uitzag, plotseling verraadt dat het geen zink is. Niet door de kleur, niet door de baanbreedte, maar door een streep licht die er niet had mogen zijn.

Daarom is het antwoord op de vraag waarom mat zo belangrijk is niet dat glans op zichzelf storend is. Het antwoord is dat glans het enige eigenschap is die op elk moment van de dag, in elk soort licht, en op elke afstand zichtbaar blijft. Kleur kan iets afwijken bij bewolkt weer zonder dat iemand het opmerkt. Een baanbreedte die een paar centimeter smaller of breder is dan bij authentiek zink, ziet vrijwel niemand zonder meetlint. Glans ziet iedereen, onbewust, en precies daarom is het de eigenschap waarop een zinklook staat of valt.

Overigens is dof niet gelijk aan dof. Er bestaat een bandbreedte aan matheid, en niet elk mat oppervlak oogt hetzelfde. Sommige coatings zijn technisch mat volgens een meetwaarde, maar hebben een korrelige of juist een te gladde structuur waardoor ze in bepaalde lichtomstandigheden toch iets teruggeven wat niet bij zink past. Een glansgraad onder de vijf is een harde ondergrens, maar de manier waarop een oppervlak die matheid bereikt, telt mee in hoe overtuigend het resultaat is. Dat is ook de reden dat we hier niet beweren dat zinklook in alle omstandigheden niet van zink te onderscheiden is: er zijn lichtsituaties en afstanden waarop een geoefend oog het verschil ziet, en eerlijkheid daarover is nuttiger dan een belofte die niet standhoudt.

Wat dit voor de keuze betekent, hangt af van het gebouw. Op een laag, langgerekt volume met een vlak dak dat vooral van boven en van veraf gezien wordt, speelt glans een kleinere rol dan op een verticale gevel die van dichtbij en van opzij wordt gepasseerd, waar het licht voortdurend van hoek verandert. Bij een monumentaal of beschermd gebouw, waar welstand vaak specifiek vraagt om een niet-glanzend materiaal, is de glansgraad zelfs een voorwaarde die los van esthetiek getoetst wordt. Hoe dat per situatie uitpakt, hoort bij de keuze van kleur, baanbreedte en richting voor dat specifieke gebouw, en dat werken we op de betreffende pagina's verder uit.

Wat wél voor elk gebouw geldt, is de volgorde waarin het oog werkt. Eerst valt glans op, of het ontbreken daarvan. Pas daarna vallen kleur, lijnvoering en schaal op. Een dof oppervlak geeft de andere keuzes de ruimte om te werken zoals bedoeld; een glanzend oppervlak trekt de aandacht naar zichzelf en ondermijnt daarmee elke andere beslissing die zorgvuldig genomen is over kleur of baanindeling. Daarom beginnen wij, als er over een gevel of dak in zinklook wordt nagedacht, altijd bij deze eigenschap voordat we het over kleur of vorm hebben. Niet omdat kleur er niet toe doet, maar omdat een verkeerde glans elke goede kleurkeuze alsnog laat mislukken.

In de praktijk komt dit ook terug bij de keuze van het vlak zelf: vlak, met een verstijvingsril, of met micro-lines. Die keuzes gaan over grote vlakken die anders zouden kunnen golven of spannen in het oog, en ze werken beter of slechter afhankelijk van hoe het licht op het materiaal valt. Ook daar geldt dat een lage glansgraad de basis is waarop die andere keuzes rusten: op een glanzend oppervlak vallen onvolkomenheden en lichtspel juist harder op, terwijl een dof oppervlak ze camoufleert.

Wie een monster wil zien om dit zelf te beoordelen, kan dat het beste doen op de plek waar het gebouw komt te staan, en niet alleen binnen onder kunstlicht. Glans laat zich onder kunstlicht anders zien dan onder daglicht, en al helemaal anders dan onder een lage avondzon. Van alle drie de kleuren, Nordic Night Black, Slate Grey en Metallic Dark Silver, zijn monsters beschikbaar, en het is de moeite waard om ze op verschillende momenten van de dag te bekijken voordat er een besluit valt. Dat is geen overbodige stap maar precies de manier om te voorkomen dat een gevel er in de showroom overtuigend uitziet en op straat toch verraadt wat het niet is.

KKlikzink
Pagina'sHomeSpecificatiesKleur / CoatingProjectenDetailsTechnisch adviesBlogContact
Contact
Adres
© Klikzink