Klikzink
Regen is de test waarbij een gevel of dak zich niet kan verstoppen. Bij droog weer valt licht redelijk gelijkmatig op een vlak, maar zodra het nat wordt, gaat elk materiaal anders reageren. Een glanzend oppervlak trekt het licht dan naar zich toe en gaat schitteren, spiegelen, soms bijna wit opflitsen als de zon er schuin op staat. Een dof oppervlak doet dat niet, of veel minder. Dat is de kern van wat er met een zinklook gebeurt als het regent: er verandert wel iets, maar niet veel.
De reden ligt in de glansgraad van de coating, die bij dit materiaal onder de 5 blijft. Dat is laag genoeg om het licht te verstrooien in plaats van te bundelen. Regenwater vormt op elk oppervlak een dun laagje, en dat laagje kan als een spiegel werken als de onderliggende laag zelf al glimt. Op een dof oppervlak gebeurt dat veel minder: het water legt zich neer, maar de coating onder het water blijft licht in alle richtingen verstrooien in plaats van het te bundelen richting het oog van de toevallige voorbijganger. Precies waarom mat hier het verschil maakt, leggen we uit bij [waarom mat het verschil maakt](/zinklook/glansgraad), maar de regen is de situatie waarin dat verschil het duidelijkst te zien is.
Wat u wel ziet, is een verdonkering. Nat staal met deze coating oogt een paar tinten donkerder dan droog staal, ongeveer zoals een asfaltweg of een baksteengevel donkerder wordt bij regen. Nordic Night Black wordt een net iets dieper zwart, Slate Grey schuift richting een koudere grijstoon, en Metallic Dark Silver verliest een deel van zijn lichtheid. Dat is een normale optische reactie van vrijwel elk buitenmateriaal en geen bijzonderheid van dit product. Het punt is dat de verdonkering hier gelijkmatig over het vlak gebeurt, zonder dat er ergens een venijnige lichtvlek ontstaat waar het water zich verzamelt.
Tijdens de regen zelf, en kort daarna, zijn er twee dingen te zien die los staan van de kleur: druppels die op het vlak blijven staan, en water dat langs de banen naar beneden zoekt. Op een verticaal gevelvlak trekt het water grotendeels in banen naar onder, min of meer volgend aan de looprichting van de felsnaden. Op een dakvlak met beperkte helling blijft het water iets langer liggen voordat het afloopt. In beide situaties helpt een structuur in het vlak: de uitvoering met verstijvingsril of met micro-lines breekt het wateroppervlak in kleinere stukjes, waardoor er minder kans is op één grote natte lichtvlek en meer op een fijner patroon dat minder opvalt. Bij een volledig vlakke uitvoering, zonder ril of lines, is de kans op zo'n aaneengesloten waterfilm iets groter, vooral op grote onderbroken vlakken.
De felsnaad zelf, de opstaande rand van 35 millimeter tussen de banen, speelt hier ook een rol. Die naad werpt altijd een schaduwlijn, en bij regen wordt die lijn tijdelijk anders: de schaduw wordt vervangen door een donkere, natte streep die net zo goed het ritme van de banen markeert. Het effect van die lijnen op de schaal van een gevel bespreken we los bij [de schaduwlijn tussen de banen](/zinklook/schaduwlijn); hier is vooral van belang dat die lijn bij regen niet verdwijnt, maar van karakter verandert.
De manier waarop dit oppervlak in de regen oogt, hangt sterk af van waar het op zit en hoe het gebouw is opgebouwd. Op een laag, breed dakvlak van een loods, gezien van veraf, valt de verdonkering nauwelijks op omdat het hele vlak in één keer donkerder wordt en er niets is om het mee te vergelijken. Op een woonhuis met een gevel in zinklook naast bijvoorbeeld metselwerk of hout, valt het meer op, simpelweg omdat baksteen en hout ook donkerder worden bij regen, maar op een andere manier en in een ander tempo. Hoe die twee materialen samen ogen, ook bij nat weer, komt aan de orde bij [combineren met baksteen](/zinklook/combineren-met-baksteen) en bij [combineren met hout](/zinklook/combineren-met-hout). Op een hoog gebouw, gezien van onderaf tegen een grijze regenlucht, is het contrast tussen droog en nat vlak weer anders dan op een laag gebouw dat je van boven of schuin van opzij ziet. We werken dat hier niet verder uit, omdat het per gebouwtype werkelijk verschilt; dit is het algemene beeld, niet de uitwerking voor uw specifieke situatie.
Er is één situatie waarin regen wél een probleem geeft voor het aanzien, en dat is niet de regen zelf maar wat erna gebeurt. Op een oppervlak dat vervuild is met stof, blad of aanslag, spoelt regenwater dat vaak niet gelijkmatig weg. Er ontstaan dan stroompatronen: schone strepen waar het meeste water langsliep, en vuilere plekken waar het bleef staan. Dat heeft niets te maken met de coating of de glansgraad, maar met de omgeving van het gebouw, de hoeveelheid overhangend groen, en de dakhelling die bepaalt hoe snel water afvoert. Op een vrijwel vlak dak, net boven de minimale zes graden helling waarvan dit materiaal toepasbaar is, blijft water langer liggen en krijgt vuil meer kans om zich vast te zetten voordat het wegspoelt. Op een steile gevel gebeurt dat veel minder. Wie een schoon aanzien wil houden op een oppervlak dat toch al weinig helling of veel overhangend groen heeft, moet dus niet verwachten dat regen dat probleem oplost; eerder is het risico dat regen het onderstreept.
Als u een monster aanvraagt, is het geen overbodige moeite om dat monster ook eens nat te maken en in verschillende lichtomstandigheden te bekijken, want daar zit precies het verschil tussen wat een tekening laat zien en wat een gevel op een regenachtige dinsdag laat zien. Bij Klikzink, Boylestraat 22 in Ede, liggen monsters van alle drie de kleuren klaar, en we denken kosteloos mee op tekening over welke uitvoering van het vlak op uw gebouw het rustigst blijft ogen, ook als het regent.