Klikzink
Een proefstuk zinklook is klein, hooguit een paar decimeter, en een kantoorpand is groot. Die twee schalen bijten elkaar, en dat is precies het probleem dat u bij de beoordeling moet oplossen. Op een tafel in het spreekuur van de architect of bij de balie van de aannemer ligt een stukje plaat van vijfendertig bij vijfendertig centimeter, met misschien één fels erin. U pakt het op, laat het licht erover vallen, en concludeert dat het goed staat. Op het gebouw zelf ziet u straks een gevel van dertig meter met tientallen banen naast elkaar, gezien van de stoep aan de overkant of vanaf de rotonde verderop. Dat is een ander soort kijken, en een monster moet u daar dus ook op beoordelen.
De neiging bij een proefstuk is om het van dichtbij te bekijken: de fels aanraken, de coating voelen, kijken of er een oneffenheid in het metaal zit. Dat zijn legitieme vragen, maar ze horen bij een andere pagina. Hier gaat het om het beeld op afstand, en dat beoordeelt u door het monster op arm-lengte te houden, liefst rechtop tegen een muur of raamkozijn gezet, en er dan een paar stappen bij weg te lopen. Wat u zoekt is niet textuur, maar vlakheid: geeft het oppervlak het licht gelijkmatig terug, of ziet u her en der een lichte deining, een schaduwvlek die niet bij de fels hoort maar bij een bobbeltje in de plaat zelf. Bij een kantoorpand met een groot, aaneengesloten gevelvlak is dat laatste een storend detail dat van veertig meter afstand nog steeds opvalt, terwijl het op een proefstuk van drie decimeter bijna niet te zien is. Dat is de valkuil: het monster liegt niet, maar het toont het probleem niet altijd op de schaal waarop het straks speelt.
Dit is ook de reden dat de drie uitvoeringen van het vlak, bestaan: vlak, met verstijvingsril, of met micro-lines. Op een klein monster lijkt vlak plaatstaal vaak het netste, want het oogt rustig en zonder onderbreking. Op een groot gevelvlak van een kantoorpand kan precies dat vlakke oppervlak juist onrustig ogen, omdat elke lichte welving in het staal zichtbaar wordt zodra er geen ril of lijnenpatroon is om het oog af te leiden. Vraag daarom, als het even kan, om een tweede monster naast het eerste: één vlak, één met ril of micro-lines, en beoordeel ze niet naast elkaar op de tafel maar tegen een gevelmuur, in daglicht, van een paar meter afstand. Dat is de manier waarop het gebouw het straks ook laat zien.
Een tweede punt dat op een tafel makkelijk wordt overgeslagen: licht verandert, en dof staal reageert daar anders op dan een glanzend oppervlak zou doen. Neem het monster mee naar buiten, of leg het op een vensterbank, en bekijk het zowel bij fel middaglicht als in de vroege avond of bij bewolkte lucht. Bij een glanzend materiaal krijgt u op die momenten twee heel verschillende beelden, met felle lichtvlekken op het ene moment en een dof grijs vlak op het andere. Bij zinklook, met een glansgraad onder de 5, blijft dat verschil klein. Dat is precies de eigenschap die u wilt controleren voordat u een keuze maakt voor een kantoorpand, waar de gevel op elk moment van de dag zichtbaar is voor mensen die naar binnen of naar buiten lopen, en niet alleen op het moment dat de fotograaf langskomt.
De kleurkeuze speelt hier ook in mee, al gaat de afweging tussen de drie kleuren over een andere vraag die wij uitwerken op de pagina over welke kleur hier past. Wat op de proefstuktafel wel te zien is: hoe een kleur reageert op fel zonlicht versus grijze lucht, en dat verschilt per kleur net iets. Neem dus niet alleen het monster van uw voorkeurskleur mee naar buiten, maar leg de drie kleuren even naast elkaar in daglicht voordat u een besluit neemt.
Een derde controle die op tafel niet lukt, maar buiten wel: hoe zichtbaar is de schaduwlijn tussen de banen vanaf de afstand waarop het gebouw straks bekeken wordt. Bij een kantoorpand ligt die afstand vaak op tientallen meters, vanaf de parkeerplaats, de weg, of het gebouw ertegenover. Zet het monster daarom niet alleen dichtbij, maar ook een keer op een paar meter afstand tegen de gevel of een deur, en loop dan terug tot de afstand waarop het pand straks doorgaans bekeken wordt. Bij die afstand telt niet het detail van de fels, maar het ritme dat de banen samen vormen over het hele vlak. Is dat ritme rustig, of springt er iets uit dat u van dichtbij niet zag? Deze vraag hangt samen met de baanbreedte en de richting van de banen, waar u meer over leest op de pagina's die daar specifiek over gaan, maar de proef zelf doet u het best met het monster in de hand, buiten, op afstand.
Er is een grens aan wat een proefstuk kan laten zien, en die grens is bij een kantoorpand met een groot, glad gevelvlak eerder bereikt dan bij een kleiner of grilliger gebouw. Een monster van een paar decimeter toont geen glooiing van het gevelvlak zelf, geen lichtval die verandert door een overstek of luifel, en geen effect van een groot aaneengesloten oppervlak waarbij honderden banen samen één geheel moeten vormen. Als de gevel bijzonder groot is, of als er al twijfel is over de vlakheid van de ondergrond waarop de platen komen, is een proefstuk op ware grootte, of op een deel van de gevel, een betere basis om op te beslissen dan een monster op tafel. Vraag daar gerust naar; het is niet in elke situatie nodig, maar bij een representatief kantoorpand waar het aanzicht vanaf de straat de doorslag geeft, is het geld en tijd die zich terugbetalen in zekerheid vooraf.
Aarzel niet om meerdere monsters naast elkaar te vragen, in verschillende uitvoeringen van het vlak en in de kleuren die in aanmerking komen. Bij Klikzink, Boylestraat 22 in Ede, liggen monsters van alle drie de kleuren klaar, en denken wij op tekening mee zonder dat dit iets kost. Dat meedenken begint precies hier: bij het moment dat u het proefstuk in uw handen houdt en wilt weten of wat u ziet, ook is wat er straks op de gevel hangt.