Klikzink
Een monumentaal pand staat er meestal al een tijd, en de gevel is in de loop van de jaren gaan behoren tot het straatbeeld waar niemand meer apart naar kijkt. Verandert u de bekleding, dan verandert u dat beeld wel degelijk, en bij horizontale banen verandert er iets specifieks: het volume lijkt breder dan het is. Een gevel die verticaal was ingedeeld met stijlen en regels krijgt door horizontale banen zinklook een liggende lijn die het pand als het ware uitrekt. Dat werkt in het voordeel van lage, brede volumes; bij een smal, hoog pand kan het juist tegen de oorspronkelijke verhouding werken, en dat is iets om vooraf te bekijken op tekening, niet pas als de eerste banen hangen.
De indeling begint bij de hoeken van de gevel, niet bij het midden. Banen van 475 mm werkende breedte worden op maat gewalst en op de millimeter afgekort, dus de baanindeling kan worden afgestemd op de werkelijke maten van de gevel: de afstand tussen twee raampartijen, de hoogte tussen plint en dakrand, de plek van een deuromlijsting. Bij een monumentaal pand liggen die maten meestal al vast, en de kunst is de banen zo te verdelen dat de randen -- bij een hoek, een kozijn, een fries -- niet toevallig uitkomen op een half restje plaat. Een aannemer die dat vooraf laat uitrekenen, voorkomt dat de laatste baan bij de regenpijp een streep van twaalf centimeter wordt.
Omdat het om een monument gaat, kijkt welstand vaak mee, en dat verandert de opdracht net iets. Welstand toetst niet aan wat technisch mogelijk is, maar aan wat het beeld doet met de omgeving, en bij een gevel in zinklook is het beeld van zink daarbij de maatstaf: smalle banen, een scherpe schaduwlijn, een dof oppervlak dat geen licht terugkaatst. Wat wij bij welstand en beschermd stads- of dorpsgezicht al hebben gezien, is dat de discussie zelden gaat over het materiaal zelf en bijna altijd over de vraag of de indeling recht doet aan de gevel zoals die er nu bij staat. Een horizontale indeling die de historische raamindeling doorsnijdt in plaats van volgt, valt sneller op dan een indeling die daar juist bij aansluit.
De richting van de banen is bij een monumentaal pand dus geen vormgevingskeuze op zichzelf, maar een reactie op wat er al staat. Horizontaal wordt meestal gekozen bij lage aanbouwen, bij borstweringen onder vensters, of bij gevels waar de bestaande metselwerkverdeling ook liggend is, zoals een plint in een andere steen of een fries die de gevel in banden verdeelt. Verticale banen sluiten vaker aan bij hoge, smalle geveldelen en bij topgevels; die keuze light aan de orde bij de richting van de banen. Bij horizontale banen is het belangrijk dat de lijn doorloopt zonder onderbreking langs de hele gevel, want een verspringende lijn -- waar de baan bij een erker of een aanbouw plotseling een paar centimeter hoger of lager doorzet -- valt bij een monument meteen op, juist omdat het oog daar getraind is op regelmaat.
De rand is waar dit zich het scherpst laat zien. Bij een hoek van de gevel, bij de aansluiting op een bestaand kozijn, of bij de overgang naar een lager dakvlak, moet de horizontale lijn kloppen op het oog, niet alleen op de tekening. Wij hebben gevels gezien waar de banen op papier precies uitkwamen, maar waar op de gevel zelf de laatste baan onder een raam net iets smaller leek dan de rest, omdat het oog daar extra gevoelig is voor verschil. Bij een monumentaal pand, waar de gevel vaak al asymmetrisch is door aanpassingen uit verschillende eeuwen, is dat een reden om de indeling per gevelvlak apart te bekijken in plaats van één maat over de hele voorgevel door te trekken.
De schaduwlijn tussen de banen draagt bij horizontale toepassing extra gewicht, omdat die lijn hier het enige is dat de gevel nog opdeelt. Bij een verticale indeling wordt het ritme ook bepaald door de kozijnen die de banen doorsnijden; bij horizontale banen loopt de lijn vaak juist tussen de kozijnen door, en dan is de fels van 35 mm het enige houvast voor het oog om de schaal van de gevel te lezen. Hoe die lijn precies valt, en waarom die bij zink en bij zinklook net anders oogt, leggen wij uit bij de schaduwlijn tussen de banen.
Er is ook een praktische kant die het beeld beïnvloedt: staal zet ongeveer half zoveel uit als zink, en de klemmen onder de fels bevestigen de baan zonder zichtbare schroeven. Voor het beeld betekent dit dat er bij horizontale toepassing geen boutkopjes of kliknaden dwars over de baan te zien zijn die de liggende lijn zouden onderbreken. Wat wél te zien blijft, vooral op een gevel die op ooghoogte wordt bekeken vanaf de stoep, is de vlakverdeling van de plaat zelf; bij grote vlakken zonder raamopeningen kiezen wij daarom vaak voor een uitvoering met verstijvingsril of micro-lines, zodat het vlak niet gaat golven in het licht. Bij een monumentaal pand met veel raampartijen is dat minder vaak nodig, omdat de kozijnen het vlak al opdelen.
Waar horizontale zinklook niet de aangewezen keuze is, is bij gevels met een uitgesproken verticale ordening: gevels met hoge, smalle vensters boven elkaar, of topgevels met een puntdak waar de blikrichting van de voorbijganger van onder naar boven gaat. Daar werkt een liggende lijn tegen de opbouw van de gevel in, en dan is een verticale indeling meestal de logischer keuze, ook wanneer de rest van het pand met horizontale elementen is opgebouwd. Een goede aannemer of architect legt die keuze naast de bestaande gevelordening, niet naast een voorkeur voor een bepaalde look.
Omdat elk monumentaal pand een andere combinatie van kozijnen, banden en aanbouwen heeft, is dit iets dat wij het liefst op tekening bekijken voordat er iets wordt bijgesteld op de bouwplaats. Klikzink walst de banen op maat op de millimeter af, dus de indeling kan precies worden afgestemd op de maten van uw gevel, inclusief de plek van de randen bij hoeken en kozijnen. Meedenken op tekening kost niets, en van de drie matte kleuren zijn monsters beschikbaar om op de gevel zelf te bekijken hoe de horizontale lijn het pand gaat lezen.