Klikzink
Bij een monumentaal pand kijkt er altijd iemand mee die het beeld van zink als uitgangspunt neemt. Welstand, een commissie, een adviseur van de gemeente: wat er ooit op het dak lag, is het ijkpunt waarmee elke nieuwe dakbedekking wordt vergeleken. Dat maakt de keuze tussen zinklook en aluminium anders dan bij een nieuwbouwpand waar niemand die vergelijking maakt. Hier wordt het beeld getoetst, en dat beeld moet kloppen, ook van dichtbij.
Van een afstand van dertig meter lijken zinklook en aluminium op elkaar. Beide zijn systemen van banen met een opstaande fels, beide zijn metaal, beide kunnen een grijze of donkere kleur hebben. Wie vanaf de straat naar boven kijkt, ziet in eerste instantie geen verschil. Dat is precies waarom de keuze lastig lijkt en waarom hij het niet is: van dichtbij, en dat is de afstand waarop een welstandscommissie werkt, lopen de twee uit elkaar.
Onbehandeld aluminium blijft licht en heeft een gladdere, vaak net iets blakerende uitstraling, ook in een matte uitvoering. Het reageert anders op invallend licht dan een dof gecoat stalen oppervlak. Zinklook zoals wij dat maken is stalen felsbaan met een coating onder een glansgraad van 5, en dat is precies het niveau waarop een oppervlak het licht niet terugkaatst maar opneemt. Dat is de eigenschap die mensen aan zink herkennen, en het is de eigenschap die aluminium in zijn eigen, blanke uitvoering niet zomaar heeft. Aluminium kán wel gecoat worden in een vergelijkbare kleur en glansgraad; dan verschuift het gesprek van het materiaal naar de coating, en dat is meestal het punt waarop de keuze voor zinklook in staal net iets logischer wordt, omdat de coating daar met dezelfde matte, biobased laag als standaard meekomt.
Bij een pand in een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt vaak niet gevraagd naar het materiaal, maar naar het beeld dat het materiaal oplevert. In de praktijk komt dat neer op vragen over kleur, glans en de manier waarop de banen het dak verdelen. Een commissie die zink als referentie heeft, toetst impliciet aan dat patina: het grijze, ietwat onregelmatige, niet-glimmende oppervlak dat zink na verloop van tijd krijgt. Aluminium dat onbehandeld blijft, oxideert wel, maar op een andere manier en met een ander eindbeeld dan zink. Het wordt donkerder grijs met een eigen, vaak vlekkiger patroon, niet het gelijkmatige mat van gecoat staal.
Dat is meteen de reden waarom wij, als het om het zichtbare beeld gaat, zinklook in staal bijna altijd als eerste noemen bij een monumentaal pand: de coating ligt van dag één vast op glansgraad, kleur en dofheid, en verandert daarna nauwelijks. Bij onbehandeld aluminium is dat eindbeeld minder te voorspellen, en dat is precies het risico dat een welstandscommissie liever niet neemt op een pand waarvan het aanzicht beschermd is.
Het zou niet eerlijk zijn om hier te doen alsof aluminium op een monumentaal pand altijd de tweede keuze is. Er zijn gevallen waarin aluminium wint, en die hebben minder met het beeld te maken en meer met de constructie erachter. Op een bestaand dak met een lichte, oude houten onderconstructie kan het gewicht van de nieuwe bedekking een reden zijn om voor het lichtste materiaal te kiezen. Aluminium is aanzienlijk lichter dan staal; onze zinklook-banen liggen rond de 5 kg per vierkante meter, en afhankelijk van de dikte kan aluminium daaronder blijven. Bij een orangerie of een klein bijgebouw met een fragiele kapconstructie kan dat verschil de doorslag geven, ook als het beeld van zinklook in staal net iets dichter bij het origineel zou liggen. In zo'n geval adviseren wij liever eerlijk de andere weg dan een systeem dat op het beeld wint maar de constructie belast.
Ook bij een uitbouw of aanbouw die zelf geen deel uitmaakt van het beschermde aanzicht, maar wel aan een monumentaal hoofdgebouw grenst, kan aluminium een praktische tussenoplossing zijn: minder streng getoetst, lichter te verwerken, en met een eigen, herkenbaar eigen karakter dat niet doet alsof het zink is. Dat eigen karakter is dan juist een voordeel, omdat het nieuwbouw en monument niet laat samensmelten tot één ongeloofwaardig geheel.
Bij een monumentaal pand loopt de bekleding regelmatig door van dak naar gevel, bijvoorbeeld bij een dakkapel, een erker of een aangebouwde serre die in hetzelfde materiaal is afgewerkt als het dak erboven. Op die overgang valt het verschil tussen materialen het snelst op, omdat het oog daar vanzelf even stilstaat. Een consistente, matte kleur die op het dak en op de gevel exact gelijk oogt, is dan meer waard dan een technisch verschil in glansgraad dat niemand met blote instrumenten meet maar dat iedereen onbewust wel ziet. Onze banen zijn er in dezelfde drie kleuren en dezelfde matte afwerking voor dak én gevel, wat die doorlopende lijn eenvoudiger maakt dan wanneer voor het dak het ene metaal en voor de gevel een ander wordt gekozen.
Een voorbeeld uit de praktijk: bij een pand met een dakkapel die in aluminium is bekleed en een hoofddak dat later in zinklook wordt vervangen, ontstaat op de foto van veraf geen probleem, maar staand op de stoep, met de dakkapel en het dakvlak in één ooghoek, valt het verschil in glans direct op. Dat is niet per se fout, maar het is een keuze die je bewust moet maken, niet een die je per ongeluk laat ontstaan door twee systemen naast elkaar te bestellen zonder de kleuren en de mate van glans naast elkaar te leggen.
Monumentale panden hebben vaak houten dakoverstekken, goten of gevelbetimmering die intact blijven bij een renovatie. Tegen hout ogen beide metalen anders dan tegen steen of pleisterwerk. Een dof, donker zinklook-vlak naast verweerd hout houdt de aandacht bij de vormen van het gebouw; een blanker aluminium vlak trekt sneller het licht naar zich toe en kan naast oud hout net iets nieuw en hard ogen, ook wanneer het materiaal zelf niet blinkt. Dat is een subjectieve waarneming, maar het is een waarneming die welstandscommissies in de praktijk wel meenemen, ook zonder dat ze het zo benoemen.
Wij maken geen aluminium systemen en spreken dus niet voor onze eigen omzet als we zeggen dat aluminium op sommige monumentale panden de betere keuze is. Wat wij wel doen, is meedenken op basis van de tekening en de foto van het bestaande pand: welke kleur, welke glansgraad en welke baanbreedte het dichtst bij het bestaande beeld komen, en of dat met stalen zinklook-banen haalbaar is binnen de draagconstructie die er al staat. Van alle drie de kleuren zijn monsters beschikbaar, wat bij een welstandsaanvraag vaak praktischer is dan een digitale kleurcode: een commissie beoordeelt liever een stuk plaat in de hand dan een schermafbeelding. Meedenken op tekening, ook voor een lastige overgang tussen dak en gevel of tussen een monumentaal hoofdvolume en een nieuwere aanbouw, kost bij ons niets, en dat geldt evengoed voor een pand waar wij uiteindelijk concluderen dat een ander materiaal beter past.