Klikzink
Een woonboerderij in het buitengebied wordt anders bekeken dan een pand aan een straat. Er is geen overkant om vanaf te kijken, geen gevelrij om in op te gaan. Wie het gebouw ziet, ziet het van ver, vanaf de weg, vanaf een fietspad tussen de weilanden, of vanuit een auto die net over de dijk komt. Op die afstand valt de textuur van het dak weg en blijft er een vorm over: een silhouet tegen de lucht of tegen een rij bomen. Dat silhouet is precies waar een dof metalen dak zich anders gedraagt dan de meeste andere daken.
Waar veel woonboerderijen mee te maken hebben, is een oud volume met een nieuw dak. De muren zijn van baksteen, vaak met een kleur en een metselverband die je alleen nog in het buitengebied tegenkomt, en daarboven komt een strak, egaal vlak in een van de matte kleuren. Dat contrast is niet iets om weg te werken, het is de ingreep zelf. Baksteen heeft reliëf, oneffenheid, een eigen kleurspel per steen; het dak erboven is juist rustig en gesloten. Hoe groter dat verschil in textuur, hoe duidelijker het gebouw twee tijden laat zien: het oude onderstel en het nieuwe dak dat daarboven is gelegd. Wij zien geregeld dat opdrachtgevers dat verschil juist willen aanzetten in plaats van verzachten, en daar is met kleur wel iets in te sturen. Nordic Night Black tegen een lichte, gesausde gevel geeft het scherpste contrast; Metallic Dark Silver ligt dichter bij de kleur van oude dakpannen en oogt daardoor minder als ingreep, meer als vervanging.
Licht in het buitengebied is anders dan licht tussen bebouwing. Er is minder wat het licht breekt of tegenhoudt: geen overstaande gevels, geen bomenrij die 's ochtends schaduw geeft. Het dakvlak krijgt de lucht rechtstreeks, en de lucht boven een woonboerderij is meestal groter dan de lucht boven een pand in een straat. Bij een lage, grijze bewolking, wat in het buitengebied minstens zo vaak voorkomt als een heldere dag, valt een mat dak bijna weg tegen die lucht. Het reflecteert niet, het schittert niet, het blijft een rustig, donker vlak. Bij een lage avondzon van opzij gebeurt het tegenovergestelde: de felsen, die verticaal op 475 mm uit elkaar liggen, gooien dan lange, scherpe schaduwen over het vlak en het dak krijgt structuur die het overdag niet had. Dat wisselende beeld, van vlak silhouet naar geribbeld reliëf, is bij een boerderij in het open veld sterker te zien dan bij een pand dat half in de schaduw van naastgelegen bebouwing staat.
De richting van de banen speelt hierin een rol die niet los staat van de omgeving. Op een lang, laag dakvlak, zoals veel boerderijen hebben, lopen de banen meestal mee met de nok, dus in de lengte van het gebouw. Vanaf de weg, op afstand, versterkt dat de horizontale lijn van het gebouw en laat het de boerderij laag en breed ogen tegen het landschap, wat bij een pand dat toch al laag bij de grond ligt vaak het gewenste beeld is. Bij een boerderij met een steil, dominant dakvlak, waarbij het dak van veraf al als een grote driehoek oogt, kan een enkele lange baan van nok tot goot juist die verticale lijn benadrukken en het gebouw iets hoger laten lijken dan het is. Geen van beide is fout, het hangt af van welk beeld bij het landschap eromheen past: een boerderij tussen weilanden vraagt vaak om rust en horizontaliteit, een boerderij die als baken tussen de bomen staat kan een verticaler statement beter verdragen.
Gevel en dak samen in één kleur en één materiaal is bij een woonboerderij in het buitengebied niet altijd de juiste keuze, ook al is het technisch mogelijk. Wanneer het hele bijgebouw, de nieuwe aanbouw of een deel van de gevel wordt bekleed in dezelfde zinklook als het dak, verdwijnt het onderscheid tussen oud en nieuw dat net de charme van het gebouw uitmaakte. Bij een woonboerderij werkt het vaak beter als het metaal zich beperkt tot het dak, of tot een duidelijk herkenbaar nieuw volume, en de oude gevel zichtbaar blijft als wat hij is. Zo blijft het contrast leesbaar in plaats van opgelost.
Er zijn ook situaties waarin dit juist niet de aangewezen oplossing is. Bij een boerderij met een rieten dak dat behouden blijft, of bij een pand in een gebied waar de welstandsnota uitdrukkelijk om pannen of leien vraagt, past een metalen dak niet zomaar naast het bestaande beeld en is overleg vooraf nodig om teleurstelling te voorkomen. En bij een heel klein bijgebouwtje, een schuurtje van een paar meter breed, is de baanbreedte van 475 mm zo dominant ten opzichte van het hele vlak dat het dak eerder op een verpakking gaat lijken dan op een gevel. Daar is een ander materiaal, of een andere maatvoering, vaak passender.
Wat de meeste woonboerderijen in het buitengebied gemeen hebben, is dat het dak niet van dichtbij wordt beoordeeld maar van ver, en dat het dus vooral om de grote lijn gaat: de kleur tegen de lucht, de richting van de banen ten opzichte van het gebouw, en het contrast met het metselwerk daaronder. Voor die keuzes werken wij het liefst op tekening mee, zodat u voordat er iets wordt bekleed al kunt zien hoe het silhouet tegen het landschap komt te staan. Monsters van de drie kleuren zijn bij ons op te vragen, en die zijn juist bij een boerderij in open veld het waard om op verschillende momenten van de dag te bekijken, want een dof vlak oogt hier 's ochtends anders dan aan het einde van de middag.