Klikzink
Bij een monumentaal pand ligt er een extra laag toezicht op het dak en de gevel die andere gebouwen niet hebben. Welstand heeft een keer meegekeken naar het beeld, de vergunning verwijst naar zink of naar het uiterlijk daarvan, en dat beeld moet over tien of twintig jaar nog kloppen met wat er is goedgekeurd. Schoonmaken raakt precies dat beeld. Wie de coating verkeerd behandelt, verandert niet de werking van het dak maar het aanzien ervan, en dat is bij een beschermd gezicht een ander probleem dan bij een nieuwbouwwijk.
De coating van onze felsbanen is een organische laag van 50 micrometer, GreenCoat Pural BT, met een glansgraad onder de 5. Die lage glans is bewust: die maakt het oppervlak dof, zoals oud zink dat ook is, in plaats van glimmend zoals blank aluminium of gecoat staal met een hogere glans. Die doffe uitstraling is oppervlakkig, in de letterlijke zin: het zit in de structuur van de bovenste laag. Schuren, polijsten of een agressief middel dat die laag aantast, tast ook de mate van dofheid aan. Een plek die blinker wordt dan de rest valt op een groot dakvlak meteen op, en juist op een monumentaal pand kijkt er iemand die dat verschil opmerkt en er iets van zegt.
Wat wel kan, is simpel: schoon water, een zachte borstel of doek, en bij hardnekkig vuil een mild, niet-schurend sopje. Dat is voor de meeste gevels en daken voldoende, zeker als het vuil vooral stof, verkeersaanslag of aanslag van bladeren is. Wat niet kan: hogedrukreinigers van dichtbij, staalborstels, schuurmiddelen, oplosmiddelen en agressieve reinigingsmiddelen met een hoge pH. Die tasten de coating aan, maken hem doffer op een oncontroleerbare manier of juist lokaal glimmend, en verkorten de periode dat de kleur en de glansgraad gelijk blijven over het hele vlak. Bij een pand waar drie kleuren beschikbaar zijn, Nordic Night Black, Slate Grey en Metallic Dark Silver, is het juist die gelijkmatigheid die het aanzicht draagt; een dakvlak met plaatselijk andere glans oogt onrustig, ook van afstand.
Een concreet geval: een voormalig pakhuis met een zadeldak, in Slate Grey uitgevoerd, waar de eigenaar na een aantal jaren het idee had dat het dak er dof en vuil bijlag en opdracht gaf het te laten reinigen met een hogedrukspuit op korte afstand, gericht op groene aanslag bij de nok. Het resultaat was een strook waar de coating zichtbaar anders reflecteerde dan de rest van het vlak, in een baan van ongeveer een meter breed rond de nok. Vanaf de straat was dat niet meteen storend, maar vanaf het balkon van het pand ertegenover, en dus ook voor welstand bij een volgende inspectie, wel. Het probleem was niet dat het dak vuil was; dat is met water en een borstel op te lossen. Het probleem was de manier van reinigen.
Groene aanslag, mos en algen komen vooral voor op plekken die weinig zon en veel vocht krijgen: noordhellingen, plekken onder overhangende bomen, dakdelen bij een regenpijp. Daar helpt geen reinigingsmiddel structureel, want de omstandigheid die de aanslag veroorzaakt verandert niet. Wat wel helpt is periodiek schoon water en een zachte borstel, en het is verstandiger die aanpak een paar keer per jaar te herhalen dan één keer grondig met iets sterkers. Bij een monumentaal pand is dat ook praktisch: een lichte, herhaalde onderhoudsbeurt valt niet op en verandert niets aan het beeld, terwijl een ingrijpende schoonmaakactie precies het risico is waar welstand op kan reageren.
Het gaat hier niet over roest of lekkage; dat is een andere vraag met een ander antwoord, en niet waar deze pagina over gaat. Het gaat over de vraag of het dak er na het schoonmaken nog uitziet als voor die tijd. Bij zinklook is het antwoord: ja, als het schoonmaken beperkt blijft tot water en een zachte borstel, en nee, zodra er geschuurd, geschraapt of met een agressief middel gewerkt wordt.
Daarbij is er nog een ander punt dat specifiek is voor de vergelijking met echt zink, en dat wij hier kort willen noemen omdat het bij een monumentaal pand vaak ter sprake komt: waar zink kan reageren op agressieve reiniging met vlekken of een verkleuring die na verloop van tijd weer wat egaliseert door nieuwe patinavorming, gebeurt dat bij onze coating niet. Een beschadiging aan de coating blijft zichtbaar zoals hij ontstaat, hij vervaagt niet vanzelf. Dat is een van de punten waar het verschil met zink zich toont, zoals wij uitgebreider bespreken bij [waaraan je het verschil met zink ziet](/zinklook/monumentaal-pand/verschil-met-zink). Voor het schoonmaken betekent het vooral dat voorzichtigheid hier meer loont dan bij zink zelf: er is geen zelfherstellend mechanisme dat een fout camoufleert.
Er is ook een situatie waarin deze keuze voor zinklook op een monumentaal pand niet de aangewezen oplossing is, en dat heeft niets met schoonmaken te maken maar met de vergunning zelf. Als de vergunning of de welstandsnota specifiek zink als materiaal voorschrijft, en niet het uiterlijk van zink, dan voldoet een gecoat stalen systeem niet aan die eis, hoe goed de gelijkenis in kleur en glans ook is. Dat onderscheid tussen materiaalvoorschrift en beeldvoorschrift wordt behandeld bij [welstand en beschermd gezicht](/zinklook/monumentaal-pand/welstand), en is de eerste vraag die vóór de keuze voor zinklook beantwoord moet worden, niet erna.
Voor het onderhoud zelf blijft de vuistregel eenvoudig: behandel de coating zoals je een matte lak zou behandelen, niet zoals je een metalen dak zou behandelen dat tegen ruwer werk bestand is. Bij twijfel over een specifieke vlek of aanslag denken wij vanuit Ede, Boylestraat 22, mee zonder kosten; ook zijn er monsters van alle drie de kleuren beschikbaar om vooraf te zien hoe de glansgraad in de praktijk oogt voordat het op het dak ligt.