Klikzink
Op de bouwtekening staat een gevel nog als vlak vak, zonder schaal. Zodra er banen van 475 mm op komen, verandert dat. Een gevel van vier meter breed krijgt er ruim acht op, een gevel van twaalf meter bijna zesentwintig. Dat aantal is wat het oog gebruikt om de maat van een huis te lezen, meer nog dan de kozijnen of de goothoogte. Bij nieuwbouw is dit het moment waarop die keuze nog niets kost: de indeling van de banen wordt nu op tekening bepaald, niet achteraf gecorrigeerd met een restbaan naast de voordeur.
Een enkele laag banen over een heel volgeveltje van een rijwoning oogt anders dan diezelfde banen op de brede, ononderbroken gevel van een vrijstaande villa. Op de rijwoning, doorgaans vier tot zes meter breed, vult een klein aantal banen het hele vlak en wordt elke baan een merkbaar deel van het totaal. Verschuift de baanindeling daar een paar centimeter, dan zie je dat direct terug in de symmetrie rond de voordeur of de erker. Op een breed volume van een vrijstaand huis verdwijnt die ene baan in een veld van twintig of dertig, en valt een kleine onregelmatigheid veel minder op. De vraag die bij het ene huis over enkele centimeters gaat, gaat bij het andere over de vraag of de dakrand en de gevelhoek in dezelfde slag doorlopen.
De platen zijn leverbaar van 450 tot 8000 millimeter, op de millimeter afgekort, en dat is precies waarom dit nu nog te regelen is. Wij werken de baanindeling uit op de tekening van de woning, zodat de banen in het midden van een gevel symmetrisch uitkomen, of juist gelijk oplopen met een raampartij, in plaats van dat er aan één kant een smalle restbaan overblijft. Dat meedenken op tekening kost niets en gebeurt voordat er iets geknipt wordt. Wordt de gevelindeling pas na de wapening van de fundering vastgelegd, dan is de marge om nog te schuiven al veel kleiner, en wordt de baanmaat een sluitpost in plaats van een ontwerpkeuze.
Schaal werkt ook samen met de opstaande fels tussen de banen, 35 millimeter hoog en scherp afgetekend. Op een smal gevelvlak, zoals de kopgevel van een twee-onder-een-kapwoning, staan die lijnen dicht bij elkaar en trekken ze het oog naar de verticaal, waardoor een laag huis al iets rijziger kan ogen. Op een lang, laag volume, zoals een moderne bungalow met een doorlopende gevel van tien meter of meer, verdelen dezelfde lijnen het vlak juist in een herkenbaar ritme dat de lengte draaglijk maakt in plaats van eindeloos. Die scherpe schaduwlijn komt uitgebreider aan de orde bij de schaduwlijn tussen de banen, maar voor de schaal is vooral van belang dat het aantal lijnen per meter meebepaalt of een gevel rustig oogt of gejaagd.
De drie uitvoeringen van het vlak, vlak, met verstijvingsril of met micro-lines, spelen ook een rol in hoe de schaal wordt gelezen. Op een klein vlak, zoals een dakkapel of de gevel van een bijgebouw, valt een vlakke plaat het rustigst, omdat er weinig oppervlak is om structuur in te verliezen. Op een groot, ononderbroken dakvlak van een woning met een flauwe kap kan een vlakke plaat juist onrustig gaan werken bij bepaald licht, omdat elke kleine welving zichtbaar wordt over een groot oppervlak; daar houdt de rilstructuur of de micro-line het vlak visueel stiller. Welke van de twee het beste past, hangt af van de afmeting van dat specifieke dakvlak en van de hoek waaronder het meestal wordt bekeken, vanaf de straat of vanaf een verdieping ertegenover.
Bij nieuwbouw is er nog een reden om hier vroeg over te beslissen, en dat is de combinatie met andere gevelmaterialen. Wie zink hier wil combineren, zoals wij bespreken bij [combineren met baksteen](/zinklook/nieuwbouwwoning/combineren-met-baksteen), moet de baanmaat van het stalen deel afstemmen op de metselmaat van de baksteen, anders lopen de twee vlakken niet gelijk op ter hoogte van een raamdorpel of een hoek. Die afstemming is eenvoudig als het ontwerp nog open ligt en wordt lastig zodra de bakstenen al gemetseld zijn. Hetzelfde geldt voor de aansluiting met houten delen, waarbij een gelijke of juist bewust verschillende maatvoering het onderscheid tussen de twee materialen sterker of zwakker maakt.
Er zijn ook situaties waarin veel aandacht voor de baanbreedte weinig toevoegt. Bij een klein bijgebouw van twee bij drie meter, zoals een fietsenberging naast de oprit, past vrijwel elke redelijke indeling, en gaat er meer tijd zitten in het uitrekenen van een perfecte symmetrie dan het resultaat rechtvaardigt. Ook bij een woning met een sterk verspringende gevel, met veel erkers, dakkapellen en insprongen, wordt een strakke, doorlopende baanindeling toch voortdurend onderbroken door die verspringingen; daar is het vaak zinvoller om per gevelvlak een eigen, logische indeling te kiezen dan te proberen één schema over het hele huis door te trekken. En bij een woning die vooral vanaf een afstand wordt gezien, bijvoorbeeld aan het einde van een lange oprit of tegen een groene achtergrond, wint de algemene kleur en de mate van glans het van de precieze baanmaat; die twee komen aan de orde bij de kleur en bij de glansgraad.
De schaal van een gevel wordt dus niet alleen bepaald door het huis zelf, maar door de keuze wanneer de baanindeling wordt vastgelegd. Op de tekening is die keuze nog vrij; op de bouwplaats is ze een gegeven. Wie de gevel- en daktekeningen van een nieuwbouwwoning heeft, kan die met ons delen zodat wij de baanindeling erop uitwerken, inclusief een advies over vlak, ril of micro-line voor de betreffende vlakken, en dat gebeurt voordat er een plaat wordt gewalst.