Klikzink
Een schoolgebouw bestaat meestal uit een paar grote, simpele volumes: een lange gevel van een gymzaal, een blok met klaslokalen op een rij, een entreepartij die iets naar voren springt. Op die grote vlakken valt de richting van de banen meteen op, meer dan op een gebouw met veel raamopeningen en uitstekende delen. Daarom is de keuze tussen staand en liggend bij een school niet een detail voor achteraf, maar iets waar u bij het eerste ontwerp al over beslist.
Staande banen, dus de felsranden lopen van goot naar dakrand of van plint naar dakrand, trekken het oog omhoog. Een laag, breed schoolgebouw van één verdieping krijgt daardoor iets meer statigheid, iets minder het karakter van een loods. Bij een gymzaal met een blinde gevel van tien meter breed en vier meter hoog kan een staande legrichting die gevel net iets minder plat laten ogen dan hij in werkelijkheid is. Liggende banen doen het omgekeerde: ze leggen de nadruk op de breedte. Bij een schoolgebouw dat toch al lang en laag is, versterkt een liggende richting dat, en het resultaat kan een gevel zijn die zwaarder op de grond drukt dan de architect voor ogen had.
Het is dus geen kwestie van smaak zonder gevolgen. De richting van de banen kan een gebouw corrigeren of net verkeerd benadrukken, en bij een school, waar de gevels vaak groot en ononderbroken zijn, valt dat sterker op dan bij een woonhuis met veel kleinere geveldelen.
Op een schoolgebouw heeft u vaak te maken met vlakken van tientallen vierkante meters zonder onderbreking: geen erker, geen dakkapel, soms zelfs geen raam op die hoogte. Op zo'n vlak is de baanrichting het enige patroon dat het oog kan volgen, en dat patroon werkt harder dan op een gevel met veel andere lijnen. Een verticale richting geeft op zo'n vlak een rustige, geordende herhaling van smalle stroken naast elkaar, wat bij een school met een strak, modern ontwerp goed samengaat. Een horizontale richting op datzelfde vlak benadrukt juist de gelaagdheid: het gebouw wordt gelezen als een stapeling van linten, wat kan passen bij een school die bewust laag en ingetogen is opgezet, maar ook al snel oogt als een simpel doosje als er verder weinig reliëf in de gevel zit.
Bij een tussenvorm, een gevel die uit een plint van baksteen en een opgetild bovenstuk in zinklook bestaat, is de richting ook een signaal over waar het ene materiaal ophoudt en het andere begint. Staande banen op dat bovenstuk maken het optisch lichter, alsof het op de plint balanceert. Liggende banen maken het bovenstuk zwaarder, wat op een school met een compacte, ingetogen vorm juist bedoeling kan zijn.
Een schoolgebouw wordt anders gebruikt dan een kantoor of een woonhuis: honderden kinderen lopen er dagelijks langs, leunen tegen een gevel, trekken met een vinger langs een schaduwlijn tussen de banen, gooien er een bal tegen. Dat gebeurt allemaal op een hoogte van ongeveer een meter tot anderhalve meter, precies waar de onderste banen van de gevel zitten. Bij een staande richting loopt de fels op die hoogte verticaal langs de gevel, en een hand die daarlangs glijdt volgt een doorlopende lijn van onder naar boven. Bij een liggende richting zit op die hoogte een horizontale voeg op ongeveer elke halve meter, wat op ooghoogte van een kind iets vaker een aanraakbare rand oplevert.
Dit is geen reden om voor het een of het ander te kiezen: onze banen zijn blind bevestigd, met klemmen onder de fels, en er zitten geen zichtbare schroeven waar iets aan kan blijven haken. Maar het is wel iets om mee te nemen wanneer u bedenkt hoe een gevel er na een paar jaar dagelijks gebruik bij zal staan. Een gevel die intensief bevingerd wordt op ooghoogte, laat dat sneller zien op een liggend patroon met veel horizontale lijnen dan op een staand patroon waar de aandacht meer over de hele hoogte van de baan verdeeld wordt.
Een school wordt niet na tien jaar verbouwd omdat de gevel uit de mode is; het gebouw moet er twintig jaar en langer bij staan zoals het nu bedoeld is. Dat betekent dat de keuze voor staand of liggend niet iets is dat u voor de huidige trend maakt, maar voor het gebouw zelf, voor de verhoudingen die er al staan. Een gymzaalvolume dat nu al laag en breed is, wordt met liggende banen over twintig jaar niet lager of breder, maar de aandacht voor die verhouding wordt door de jaren heen wel steeds bevestigd, iedere keer dat iemand er voorbij loopt. Datzelfde volume met een staande richting blijft even laag en breed, maar het beeld dat erbij hoort is subtieler, minder een uitroepteken bij een verhouding die er toch al is.
De kleur en de matte afwerking veranderen in die twintig jaar niet wezenlijk: de coating is UV-stabiel en de kleur blijft, dus het is niet zo dat een verkeerd gekozen richting later door verwering rechtgetrokken wordt. Wat u nu kiest, is wat er over twintig jaar nog staat.
De richting van de banen kan ook tegen een gebouw werken, en dat is het waard om hardop te zeggen. Op een schoolgebouw met veel kleine, verspringende volumes, een uitbouw hier, een luifel daar, een setback bij de entree, kan een dwingende richting juist onrust geven in plaats van rust. Op zo'n gevel oogt een strikt doorgevoerde staande of liggende lijn al snel als een keuze die is opgelegd aan een vorm die daar niet om vraagt, in plaats van een keuze die bij de vorm past. Daar helpt het soms meer om per volume de richting te laten meebewegen met de vorm, dan om over het hele gebouw dezelfde richting aan te houden.
Ook bij een school met veel raampartijen op een regelmatige maat kan een dwingende baanrichting de aandacht van die raamindeling afleiden in plaats van die te ondersteunen. In dat geval kan het verstandiger zijn om de banen op de raammaat te laten aansluiten, ook als dat betekent dat de richting per gevelvlak verschilt.
En er is een praktische kant: bij een liggende richting op een hoge gevel komen er meer horizontale voegen boven elkaar te liggen dan bij een staande richting op diezelfde gevel. Dat is geen probleem voor de werking van de gevel, maar het geeft wel een ander beeld dan op een lage, brede gevel, waar diezelfde liggende richting juist rust geeft. De keuze werkt dus nooit los van de hoogte en de breedte van het volume waarop hij wordt toegepast.
Wij leveren de banen op de millimeter afgekort, van 450 tot 8000 millimeter, en denken op basis van de tekening mee over welke richting bij welk volume van uw schoolgebouw past. Dat meedenken kost niets, en er zijn monsters van alle drie de kleuren beschikbaar om op locatie te bekijken hoe een richting in het echte licht van het gebouw valt.