Klikzink

Zinklook horecagebouw: waarom mat het verschil maakt

Bij een horecagebouw ligt de vraag niet bij het materiaal, maar bij het oppervlak. Een terras dat 's avonds vol staat, een gevel die van zonsondergang tot sluitingstijd onder wisselend licht ligt, spotjes onder de luifel, een lichtbak boven de deur, koplampen van auto's op de parkeerplaats: al dat licht valt op dezelfde plaat, en die plaat moet er op elk van die momenten hetzelfde bij blijven staan. Dat is precies waar glansgraad het verschil maakt, en waar een verkeerde keuze het snelst wordt afgestraft.

Zink is van oudsher een dof materiaal. Het oppervlak verstrooit licht in plaats van het terug te kaatsen, waardoor het onder felle spots niet oplicht als een spiegel maar rustig blijft liggen. Veel plaatmateriaal dat zink imiteert, doet dat qua kleur behoorlijk goed, maar verraadt zich zodra er kunstlicht op valt: een té gladde coating pikt het licht van een spot of een koplamp op en gooit het als een felle vlek terug. Overdag, in verstrooid daglicht, valt dat weinig op. 's Avonds, met gerichte lichtbronnen op korte afstand, valt het meteen op. En bij een horecagebouw is de avond niet een bijzaak, het is vaak de belangrijkste helft van de dag.

Onze platen hebben een glansgraad onder de 5. Dat is een lage waarde op een schaal waarbij hoogglans coatings ver in de dertig of veertig kunnen liggen. Bij een glansgraad onder de 5 wordt licht zo verstrooid dat er geen scherpe lichtvlek ontstaat, ook niet als een spot van dichtbij en onder een scherpe hoek op het vlak schijnt. De plaat blijft dof, zoals zink dat ook doet, en dat is meetbaar de reden waarom het overtuigt en niet alleen een kleurkeuze.

Waarom dit specifiek bij horeca telt

Bij een kantoorpand of een loods wordt de gevel doorgaans in daglicht bekeken, en soms in het geheel niet meer na sluitingstijd. Bij een restaurant, café of hotel is het net andersom: veel van de gevel wordt juist na het invallen van de avond bekeken, door gasten die buiten aan een tafeltje zitten of die vanaf de weg de entree naderen. Een architect die voor een horecagebouw een verlichtingsplan maakt, denkt na over sfeer, over warme lichtkleur, over accentverlichting op de gevel of onder de dakrand. Al dat licht komt van dichtbij, onder een lage hoek, en blijft vaak een tijd stilstaan in plaats van voorbij te bewegen zoals bij een auto op een weg. Dat is precies de situatie waarin een te glanzend oppervlak zich verraadt: bij langdurige, gerichte, laagstaande belichting van dichtbij.

Een voorbeeld dat dit goed laat zien: een gevel met ledstrips net onder de daklijn, die het metalen vlak van boven naar onder aanlichten. Bij een dof oppervlak loopt het licht geleidelijk uit over de banen, en blijft de schaduwlijn van elke fels goed te zien: die lijn is precies het detail waardoor het beeld als zink wordt gelezen. Bij een glanzend oppervlak ontstaat op de plek waar het licht recht op de plaat valt een strook die duidelijk lichter oplicht dan de rest, een soort waas die de rest van het vlak juist donkerder laat lijken. Dat is geen kwestie van smaak, het is een optisch effect dat bij zink niet optreedt en bij een te glanzende coating wel.

Wat het niet oplost, en wat het niet is

Glansgraad regelt het gedrag van licht op het oppervlak, niet de kleur en niet de structuur van het vlak. Een lage glansgraad in de verkeerde kleur ziet er nog steeds verkeerd uit; die twee keuzes staan los van elkaar en de een compenseert de ander niet. Ook regelt glansgraad niets aan hoe de plaat zich houdt bij regen: een dof oppervlak wordt nat net als een glanzend oppervlak, en een gevel die 's avonds bij regen wordt aangelicht laat altijd wat glinstering zien op de natte plaat zelf, los van de coating daaronder. Dat effect van nat metaal onder licht is inherent aan regen op staal, niet iets wat de glansgraad van de coating wegneemt of veroorzaakt.

Er is ook een situatie waarin dit argument minder weegt dan het op het eerste gezicht lijkt. Een horecagebouw dat overdag draait en 's avonds dicht is, een lunchroom bijvoorbeeld die om vijf uur de deuren sluit, wordt zelden onder kunstlicht bekeken. Daar speelt de glansgraad in de praktijk een kleinere rol, omdat de gevel het grootste deel van de zichttijd in daglicht staat, waar het verschil tussen mat en halfglans veel minder opvalt. Wie voor zo'n gebouw toch voor de laagst mogelijke glansgraad kiest, doet dat dan niet fout, maar de winst zit vooral in hoe het beeld overdag standhoudt, niet in hoe het 's avonds oogt.

Waar dit juist niet de aangewezen keuze is

Er zijn ook horecagevallen waarbij een dof, teruggetrokken oppervlak niet past bij wat het gebouw moet uitstralen. Een club of een zaak die juist op felheid en oplichten inzet, met een gevel die zelf onderdeel is van de lichtshow, is bij een bewust dof materiaal aan het verkeerde adres: daar wordt precies het effect gezocht dat een lage glansgraad tegenwerkt. Ook een gevel die vooral bedoeld is om van veraf, vanaf de snelweg of vanaf een plein, in één oogopslag herkenbaar te zijn, kan baat hebben bij meer glans, omdat een glanzend vlak van grote afstand eerder de aandacht trekt dan een dof vlak dat het licht juist inhoudt. In die gevallen is zinklook, met zijn nadruk op rust en terughoudendheid, niet de vorm die bij het doel past, en dat is dan geen gebrek van het materiaal, maar een kwestie van een ander uitgangspunt kiezen.

Wat overblijft is dat glansgraad, meer dan kleur of baanbreedte, bepaalt of een horecagevel 's avonds nog hetzelfde verhaal vertelt als overdag. Wie twijfelt hoe een van onze drie kleuren zich onder het geplande kunstlicht gedraagt, kan bij ons terecht voor een monster; dat laat beter zien hoe een oppervlak reageert op een spot van dichtbij dan welke beschrijving ook.

KKlikzink
Pagina'sHomeSpecificatiesKleur / CoatingProjectenDetailsTechnisch adviesBlogContact
Contact
Adres
© Klikzink