Klikzink

De richting van de banen bij een horecagebouw

Bij een horecagebouw kijkt bijna niemand overdag echt naar de gevel. De gevel wordt pas gezien als de zon weg is en de verlichting aangaat, op het terras, bij de ingang, langs de kozijnen. Dat verandert de vraag naar de richting van de banen. Het gaat niet alleen om hoe het pand oogt op een bouwtekening, maar om hoe het licht 's avonds over het metaal valt.

Staande banen trekken de blik omhoog. Een café in een smal pand tussen twee buren krijgt met verticale banen iets rechtop, iets dat meer lengte suggereert dan er feitelijk staat. Liggende banen doen het omgekeerde: ze maken een gevel breder en rustiger, wat goed werkt bij een laag, uitgestrekt paviljoen of een restaurant met een lange pui aan het water. Dat is de kern van de keuze, en die kern verandert niet zodra het gebouw een horecafunctie heeft. Wat wel verandert, is wat er met die richting gebeurt zodra het donker wordt.

Overdag valt daglicht min of meer gelijk over de hele gevel, en de schaduwlijnen tussen de banen zijn overal ongeveer even diep, zoals wij uitleggen bij [de schaduwlijn tussen de banen](/zinklook/horecagebouw/schaduwlijn). 's Avonds is dat anders. Kunstlicht komt van een paar vaste punten: een lijn spots onder de dakrand, een wandlamp bij de deur, een lichtstraat in de luifel. Bij staande banen loopt het licht van zo'n spot verticaal langs de fels omlaag of omhoog, en dat versterkt precies de richting die je al had gekozen: de gevel lijkt nog hoger te reiken dan overdag. Bij liggende banen speelt het licht juist dwars over de banen, en de schaduwlijnen worden een reeks horizontale streepjes die oplichten en verdonkeren naarmate je langsloopt. Voor een horecagebouw waar mensen ronddwalen, van de parkeerplaats naar de ingang, van het terras naar binnen, is dat een beweging die de gevel actief meemaakt in plaats van alleen verlicht wordt.

Een voorbeeld helpt. Bij een grand café met een gevel van een tiental meters breed, met daarboven een setback en een dakrand met led-strip, kiezen wij vaak voor liggende banen juist om die avondsituatie. Overdag doet de liggende richting het gebouw wat laag en breed aanvoelen, wat bij een pand met veel raampartijen soms als weinig statig wordt ervaren. Maar zodra de led-strip aangaat, tekent die strook licht zich af tegen een reeks horizontale schaduwlijnen die parallel lopen aan de lichtbron zelf. Het randlicht en de banen werken dan samen in plaats van tegen elkaar in, en dat overtreft overdag ruimschoots wat er aan hoogte verloren gaat.

Het omgekeerde voorbeeld is een smal café met een front van nog geen vier meter, ingeklemd tussen twee winkelpanden, met alleen een deurluifel en twee wandlampen als verlichting. Daar kiezen wij eerder voor staande banen. Overdag wordt het pand met verticale lijnen net iets hoger dan de buren, wat bij een smal front vaak welkom is. 's Avonds valt het licht van de wandlampen schuin over de gevel, en bij staande banen loopt die lichtval mee met de fels, wat een zachte, gelijkmatige overgang geeft van licht naar schaduw over de hele hoogte. Bij liggende banen zou dat licht dwars over een gevel van maar een paar banen breed vallen, wat op zo'n kleine schaal al snel onrustig oogt: te weinig herhaling om een patroon te vormen, te veel contrast tussen de paar banen die wel en niet belicht worden.

Daarmee is de vuistregel niet dat de ene richting bij horeca altijd beter is dan de andere. Het is dat de richting van de banen bepaalt hoe het kunstlicht zich verhoudt tot de schaduwlijnen, en dat die verhouding er 's avonds meer toe doet dan overdag. Wij vragen daarom bij een horecagebouw altijd naar de plek en richting van de verlichting voordat de banenrichting vastligt: onder de dakrand, in de gevel zelf, op het terras gericht, of alleen bij de entree. Elk van die opties trekt naar een andere keuze.

Er is ook een situatie waarin deze afweging juist niet opgaat, en dat is een gebouw met weinig of geen gerichte gevelverlichting, waarbij het licht vooral van binnenuit door grote raampartijen naar buiten valt. Dan wordt de gevel 's avonds vooral een silhouet rond lichte vlakken, en heeft de richting van de banen nauwelijks effect: het oog volgt de raampartijen, niet de fels. In dat geval bepaalt de richting alleen het daglichtbeeld, en gelden de gewone overwegingen van hoogte en schaal zonder de complicatie van kunstlicht erbij.

Een andere situatie waarin wij terughoudend zijn: een gebouw met een sterk wisselend verlichtingsplan, waar de horeca-exploitant regelmatig andere lichtaccenten aanbrengt, tijdelijke verlichting voor een evenement, seizoensgebonden lampjes, een andere kleur licht in de winter. Bij zo'n gebouw is de banenrichting een blijvende keuze in een veranderlijke context, en kan het zijn dat de richting die vandaag perfect aansluit bij het verlichtingsplan, volgend jaar bij een ander plan minder goed werkt. Daar raden wij aan de keuze primair op de daglichtsituatie en de vorm van het gebouw te baseren, zoals ook te lezen is bij [de baanbreedte en de schaal](/zinklook/horecagebouw/baanbreedte), en het kunstlicht als een gunstige bijkomstigheid te zien in plaats van als uitgangspunt.

De richting van de banen kiezen wij dus per gevel, met de plek van de verlichting als een van de vragen die wij stellen naast de vorm en de schaal van het pand. Voor een tekening met de gevel, de raamindeling en de geplande verlichting kunnen wij vrijblijvend meedenken over welke richting hier het beste werkt, zowel overdag als na sluitingstijd.

KKlikzink
Pagina'sHomeSpecificatiesKleur / CoatingProjectenDetailsTechnisch adviesBlogContact
Contact
Adres
© Klikzink