Klikzink
Een horecagebouw wordt op twee momenten bekeken, en dat zijn twee andere gebouwen. Overdag is het een dak en een gevel zoals elk ander gebouw: een vlak dat licht opvangt, banen die een richting hebben, een schaduwlijn die het vlak indeelt. Na zonsondergang verandert dat. Er gaat spotverlichting aan boven de ingang, er komt lichtlijn onder een overstek, de gevel wordt van binnenuit verlicht door de ramen van het restaurant of de bar. Vanaf dat moment is het materiaal niet meer alleen iets dat licht terugkaatst, het is iets dat naast kunstlicht staat. En daar zit de reden dat een zinklook op een horecagebouw net iets anders werkt dan op een woonhuis of een bedrijfshal: het materiaal moet er in twee lichtsituaties goed uitzien, niet in één.
Overdag doet een matte, stalen felsbaan wat hij overal doet: hij verzacht het licht. Waar een glanzend materiaal een fel beeld van de lucht teruggeeft, met wolken en highlights die met de kijker meebewegen, blijft een oppervlak met een glansgraad onder de 5 dof. Dat is prettig op een gebouw waar mensen buiten zitten, aan tafeltjes op een terras, en waar je niet wilt dat de gevel of de luifel elke keer een streep zonlicht in je ogen kaatst als er een auto passeert of de zon net goed staat. Diezelfde lage glans betaalt zich 's avonds opnieuw uit, maar op een andere manier: spotverlichting die op een dof vlak valt, geeft een zachte gloed in plaats van een felle glinsterplek. Bij een blinkend materiaal ontstaat er al snel een klein zonnetje op de gevel, precies op de plek waar het licht op valt, en dat trekt de aandacht weg van wat er eigenlijk te zien moet zijn: de ingang, het bord, de mensen.
De kleurkeuze speelt hierin mee, al gaat de afweging tussen de drie kleuren op een andere pagina dieper. Voor een horecagebouw is vooral relevant dat Nordic Night Black en Slate Grey 's avonds onder kunstlicht anders reageren dan overdag. Een donkere gevel wordt 's avonds een achtergrond: het licht van binnen, de verlichte belettering, de looplamp bij de deur, dat springt er allemaal beter uit tegen een vlak dat zelf niet om aandacht vraagt. Metallic Dark Silver doet iets anders: die kleur vangt het kunstlicht juist op en geeft het zachter terug, wat een gevel 's avonds een beetje laat gloeien in plaats van wegvallen in het donker. Welke van de twee werkingen bij een zaak past, hangt af van wat er 's avonds gebeurt op die plek: een restaurant dat wil dat de gasten zichtbaar zijn tegen de gevel, of een gebouw dat zelf een baken wil zijn in een verder donkere straat.
Bij veel horecagebouwen loopt het dakvlak door in de gevel, of ligt de gevel er zo dicht tegenaan dat een bezoeker het als één geheel ziet: een schuin vlak dat overgaat in een verticaal vlak, zonder dat er een duidelijke knik in het materiaal zit. Zinklook-banen zijn daarvoor geschikt omdat dezelfde baan, dezelfde breedte en dezelfde fels op dak en gevel toegepast kunnen worden, horizontaal of verticaal gelegd. Dat betekent dat de luifel over het terras, het dak daarboven en de gevel ernaast in dezelfde taal gelegd kunnen worden, met banen die vanaf zes graden dakhelling al toepasbaar zijn. Voor een bezoeker die het gebouw van de straat af ziet, telt dat door: er ontstaat geen knip tussen dak en muur, maar een vloeiende lijn die het gebouw kleiner en rustiger laat lijken dan wanneer dak en gevel in verschillende materialen zijn uitgevoerd. Bij een horecagebouw met een compacte plattegrond, zoals een paviljoen in een park of een strandtent, is dat vaak precies het beeld dat gezocht wordt: één vorm, één oppervlak, geen breuk.
Horeca zoekt vaak warmte in het materiaal rondom de ingang, ook als het dak en de gevel verder in een strak, kil materiaal zijn uitgevoerd. Een houten deel bij de entree, een houten luifelconstructie, of een plint in baksteen komen regelmatig terug, en de vraag is dan hoe een matte, stalen band zich daar tegen verhoudt. Tegen hout werkt de lage glans mee: het hout krijgt de warme, textuurrijke rol, het staal blijft er als een strak, koel vlak naast staan, en het contrast tussen beide oppervlakken wordt door bezoekers eerder als bewust dan als toevallig gelezen. Tegen baksteen is het net zo: een plint of onderbouw in baksteen geeft een gebouw een basis die zwaar aanvoelt, en de banen erboven, met hun rechte lijnen en smalle schaduw, geven het gebouw een lichter deel erboven. Voor een horecagebouw dat zowel overdag als 's avonds gasten trekt, is dat contrast handig om te sturen: een baksteen plint blijft er 's avonds donker bij liggen, terwijl de banen erboven, als daar verlichting op valt, het aanzicht van het gebouw dragen.
Er zijn horecagebouwen waar een zinklook minder voor de hand ligt. Een klein, laagdrempelig terrasgebouw met een enkel dakvlak van een paar vierkante meter heeft weinig oppervlak om de baanstructuur en de schaduwlijn tot hun recht te laten komen; op zo'n schaal wordt de indeling in banen eerder een detail dan een beeld. En een gebouw waar 's avonds vooral gewerkt wordt met felle, gekleurde neonverlichting of bewegend licht, zoals bij een discotheek of een feestlocatie met een lichtshow, vraagt om een andere afweging: een dof, terughoudend materiaal kan dan juist tegen de bedoeling van het ontwerp inwerken, terwijl een spiegelend of gekleurd materiaal daar beter bij past. Zinklook is een keuze voor rust en een vaste, herkenbare vorm, overdag en 's avonds. Waar de horeca juist wisselend licht en een steeds veranderend beeld zoekt, is dat een ander uitgangspunt dan waar dit materiaal voor gemaakt is.
Deze pagina gaat over het overzicht: wat er speelt bij een horecagebouw en waarom avond en dag daar allebei meewegen. Welke van de drie kleuren daar het best bij past, hoe de baanbreedte de schaal van zo'n gebouw beïnvloedt, en hoe de richting van de banen het beeld verder stuurt, komt op de andere pagina's van deze kennisbank aan de orde. Voor vragen over een specifiek gebouw, een tekening of een monster van de kleuren staat Klikzink u met plezier te woord.