Klikzink
Een woonhuis heeft meestal minstens twee gevels die iemand van de stoep ziet: een voorgevel en een zijgevel, of een voor- en achterkant die om de hoek in elkaar overlopen. Die gevels kijken zelden allebei naar dezelfde kant. En dat is precies waar het beeld van zinklook om de hoek anders wordt, terwijl het materiaal, de kleur en de baanbreedte overal hetzelfde zijn.
Licht uit het noorden is diffuus. Er staat geen zon direct op het vlak, dus er vallen geen harde schaduwen in de fels en er is geen glinstering die het oppervlak lokaal laat opflitsen. Het resultaat is een gevel die er rustig en vlak uitziet, met de banen zichtbaar als een subtiel patroon van lijnen in plaats van als een reliëf. Wie op de stoep aan de noordzijde van het huis staat, ziet vooral kleur en vlakverdeling; de textuur van het metaal zelf valt weg tegen het gelijkmatige licht.
Op het zuiden gebeurt het tegenovergestelde. Daar staat de zon op bepaalde momenten van de dag schuin op het vlak, en dan werkt de opstaande fels van 35 millimeter als een klein reliëf dat een echte schaduwlijn werpt. De banen worden dan losse elementen in plaats van een vlak: je ziet niet meer één gevel, je ziet een rij staven licht en donker naast elkaar. Bij een lage winterzon, vroeg in de ochtend of laat op de middag, wordt dat effect het sterkst. Midden op de dag met de zon hoog staat er minder schaduw en oogt de gevel platter, ook aan de zuidkant.
De glansgraad van de coating, onder de 5, houdt dit binnen de perken. Een glanzend materiaal zou op het zuiden op sommige momenten van de dag een felle lichtvlek geven die van de stoep af opvalt als een soort spiegel in de gevel; met een matte coating gebeurt dat niet. Het licht wordt teruggekaatst zonder te schitteren, dus het contrast dat u ziet komt van de schaduw in de fels, niet van glans op het vlak zelf. Dat is een bewuste eigenschap van de coating, geen toeval.
Bij een woonhuis wordt de gevel zelden van een afstand bekeken zoals bij een loods of een schuur aan de rand van een bedrijventerrein. Mensen lopen er vlak langs, op de stoep, op fietsafstand, en kijken schuin omhoog of recht ervoor. Op die afstand en die hoek is het verschil tussen noord en zuid niet een theoretisch punt, het is wat u elke dag ziet als u de deur uitloopt.
Een voorgevel op het zuiden met een lage baanbreedte van bijvoorbeeld 300 tot 400 millimeter krijgt bij laagstaande zon een uitgesproken streeppatroon: veel schaduwlijnen dicht bij elkaar. Diezelfde gevel in een bredere baan, richting de 475 millimeter werkende breedte die maximaal mogelijk is, ligt rustiger, met minder lijnen per strekkende meter en dus minder schaduwcontrast op hetzelfde vlak. Wie op het zuiden een rustig beeld wil, kan dat effect dus sturen met de baanbreedte, niet alleen met de kleur.
Op een noordgevel speelt dit veel minder. Daar is het verschil tussen een smalle en een brede baan optisch kleiner, omdat er nooit die scherpe schaduwlijn ontstaat die de baan als los element laat zien. Een architect die het huis rondom met één baanbreedte wil uitvoeren voor de eenheid van het ontwerp, moet dus weten dat die keuze op de zuidgevel zichtbaarder uitpakt dan op de noordgevel, ook al is het dezelfde plaat.
Ook de drie uitvoeringen van het vlak, vlak, met verstijvingsril of met micro-lines, werken verschillend mee met het licht. Op het noorden vlakt het diffuse licht een eventuele lichte golving in een groot vlak plaat vanzelf al wat weg; op het zuiden maakt schuin invallend licht een oneffenheid juist zichtbaar, omdat elke kleine bobbel zijn eigen schaduwrandje krijgt. Een verstijvingsril of micro-lines breken dat ongewenste lichtspel op een regelmatige, voorspelbare manier, in plaats van dat het toeval van de plaat bepaalt waar een schaduw valt. Op een zuidgevel met een groot vlak, bijvoorbeeld boven een garagedeur of onder een dakrand, is dat vaker de moeite van het overwegen waard dan op een noordgevel.
Er is een situatie waarin het spel van noord- en zuidlicht niet in uw voordeel werkt: een woonhuis waarvan de zuidgevel het gezicht naar de straat is, met een lage, felle avondzon die typisch is voor een bepaalde oriëntatie, en een gevel die verder helemaal open is, zonder overstek, zonder erker, zonder enige onderbreking. Dan krijgt u op precies de momenten dat mensen thuiskomen en over straat lopen het scherpste schaduwbeeld van de dag, elke dag opnieuw op hetzelfde tijdstip. Voor wie op zoek is naar een zo vlak en kalm mogelijk beeld, is dat niet de gunstigste combinatie; daar helpt een bredere baan of een vlakke plaat zonder ril het beeld temperen, maar het schaduwlijnpatroon verdwijnt niet.
Omgekeerd is een volledig noordgerichte voorgevel niet automatisch de beste keuze voor wie juist wél diepte en reliëf in het vlak wil zien. Zinklook ontleent een deel van zijn karakter aan die schaduwlijn tussen de banen; op het noorden is dat karakter er nog wel, maar zwakker, vlakker, minder uitgesproken dan op een gevel die af en toe wat zonlicht schuin over het oppervlak krijgt. Wie voor de fotogenieke, sculpturale kant van het materiaal kiest, moet niet verbaasd zijn als de noordgevel daar minder van laat zien dan gehoopt.
Op tekening is dit meteen te bespreken: welke gevel naar het zuiden ligt, welke naar het noorden, en welke baanbreedte en welke uitvoering van het vlak bij die oriëntatie past. Dat meedenken kost niets, en met een monster van de drie kleuren op de plek zelf, op de gevel waar het om gaat, en op een moment dat de zon er ook echt op staat, ziet u wat wij hier beschrijven zonder dat u ons op ons woord hoeft te geloven.